(Ned: Pepervlier)
Is een klein sappig kruidje dat algemeen in losse grond op vochtige schaduwrijke plaatsen groeit en meestal slechts enkele dm hoog wordt; in zeer gunstige omstandigheden kan het echter veel groter worden. Het groeit normaal gesproken in de buurt van huizen en in tuinen met vochtige grond.
De dunne gesteelde bladeren staan afzonderlijk aan de stengels; de schijf is meestal niet meer dan 3 cm lang, driehoekig met afgeronde hoeken aan de basis tot enigszins hartvormig en handnervig.
De plant wordt soms als groente genuttigd; het sap of een aftreksel van de plant wordt in zere ogen gedruppeld. De Surinaamse naam zou er op wijzen, dat de plant ook gebruikt zou worden als middel tegen scheuren tussen tenen.
De plant die een mosterdachtige geur heeft, kan soms langer dan 1 jaar leven en is inheems in Suriname (niet ingevoerd).
Bron: ASHOK PHERAI’s NATURE SCOPE